FEDERATION CYNOLOGIQUE INTERNATIONALE

TERRIER JACK RUSSEL

 

OORSPRONG : Engeland

 

ONTWIKKELINGSLAND : Australië

 

PUBLICATIEDATUM VAN DE ORIGINELE GELDIGE STANDARD : 25 Oktober 2000

 

Bron :

 

Fédération Cynologique Internationale

Secrétariat Général : 12, Place Albert 1 – B6530 Thuin (Belgique)

Standaard : FCI N° 345/08.06.2001/F

Terriër Jack Russell

Vertaling :

vrije vertaling door Pattyn  Suzanne  in  afwachting van een officiele versie.

 

GEBRUIK :

 

Een goede werkterriër, geschikt voor ondergrondse jacht. Uitstekend gezelschapshond

 

Classificatie F.C.I. :      Groep 3       Terriërs

                                    Sectie 2       Terriërs van kleine gestalte. Met werkproef.

 

KORT HISTORISCHE OVERZICHT :

 

De Jack Russell Terriërs vind zijn oorsprong in Engeland rond de jaren 1800

dank zij de inzet van dominee John Russell (Jack is de roepnaam van John).

Hij ontwikkelde een stam van Foxterriërs die paste bij zijn behoefte

aan een hond die met de fox-hounds mee kon lopen en die onder de grond kon gaan om de vos of ander schadelijk wild te laten springen uit zijn hol.

Twee variëteiten hebben zich ontwikkeld met gelijksoortige fundamentele standaarden, behalve in verschillen voornamelijk in hoogte en verhoudingen.

De grotere, vierkantere hond, is bekend onder de naam van Parson Russell Terriër en de kleinere iets langer gebouwde hond is bekend als de Jack Russell Terriër...

 

 

ALGEMEEN VOORKOMEN :

 

Een sterke, actieve, lenige, werkende terrier met veel karakter en een

flexiebel lichaam van germiddelde lengte.

Zijn vlugge bewegingen passen bij zijn levendige uitdrukking.

De “coudectomie” is facultatief. De vacht mag glad zijn, ruw of “brocken”.

 

 

BELANGRIJKE LICHAANSVERHOUDINGEN :

 

  • De hond moet langer zijn dan hoog

  • De lichaamsdiepte, van schoft tot onderzijde van de borstkast,

  • moet gelijk zijn aan de beenlengte, van elleboog tot de grond.

  • De omtrek van de borst, gemeten achter de ellebogen moet ongeveer 40 a 43 cm zijn.

 

 

GEDRAG / KARAKTER :

 

Een levendige, alerte en actieve terrier met een hartstochtelijke en intelligente uitdrukking.

Moedig, zonder vrees, vriendelijk maar met een rustige zelfverzekerdheid.

 

                                                                                                                

 

 

HOOFD :

 

SCHEDELGEDEELTE :

 

Schedel : Schedel : Moet plat zijn, van matige breedte; die gelijdelijk smaller wordt naar de ogen toe, tot aan de brede voorsnuit.

 

Stop : Duidelijk gedefineerde stop die niet te uitgesproken mag zijn.

 

 

AANGEZICHTSGEDEELTE

 

Neus : zwart

 

Voorsnuit : de lengte van de stop tot de neus moet lichtjes korter zijn dan de lengte van de stop tot de achterhoofdsknobbel.

 

Lippen : goed aansluitend  en zwart  gepigmenteerd.

 

Kaken en gebid : zeer sterk, diep, breed en krachtig – sterke tanden – die sluiten in een schaargebid.

 

Ogen : klein, van donkere kleur, levendige uitdrukking.

De ogen mogen niet bol zijn en de oogleden moeten de vorm van de oogballen goed aannemen.

De rand van de oogleden moet zwart gepigmenteerd zijn.

De ogen moeten amandelvormig zijn.

 

Oren : Knopoor of hangend oor, van goede struktuur en goede beweeglijkheid;

 

Wangen : de wangspieren moeten goed ontwikkeld zijn.

 

 

HALS :

 

Sterk en droog van lijn, zodat het hoofd met gemak gedragen kan worden.

 

 

LICHAAM : rechthoekig

 

Rug : recht. De lengte van de schoft tot de staartaanzet moet iets groter zijn dan de hoogte van de schoft tot de grond.

 

Lendenen : kort, sterk en goed gespierd.

 

Borst : Meer diep dan breed, met voldoende afstand tot de grond, zodat de onderzijde van de borstkas zich halverwege de grond en de schoft bevindt.

Vanuit de ruggegraad dienen de ribben mooi gebogen zijn, waarna ze vlakker worden naar de zijde toe, zodat ze achter de ellebogen te spannen is

met twee handen.

De omtrek is ongever van 40 tot 43 cm.

Borstbeen : punt van het borstbeen duidelijk voor de schouderpunt.

 

 

STAART :

 

Mag hangen wanneer de hond in rust is. In actie, moet ze rechtop staan.

In geval dat de staart gesneden is, moet de staartpunt op dezelfde hoogte gedragen worden als de oren.

 

 

 

LEDEMATEN :

 

Voorhand :

 

Schouders : goed schuin naar achter liggend en niet zwaar beladen met spieren.

Voorbenen : Recht van bot van de elleboog tot de tenen, zowel van voren

als van opzij bezien.

Opperarm : Van voldoende lengte en met voldoende hoeking,

zodat de ellebogen onder het lichaam kunnen staan.

 

Achterhand :

 

Sterk en gespierd; met in balans met de schouder partij.

 

Knieen : Goed gehoekt

 

Hakken : llaag geplaatst

 

Middelvoeten : parallel van vanachter gezien de hond in vrije stand.

 

Voeten : rond, hard, stevige voetzolen, niet groot,

tenen matig gewelfd niet in–of uitdraaiend.

 

GANGWERK / BEWEGING :

 

Vrij, zuiver en veerkrachtig

 

VACHT

 

Beharing :

 

Mag glad, brocken of ruw zijn. Moet weersbestandig zijn.

Vachten mogen niet veranderd worden (door trimmen) om glad of

broken te lijken.

 

Kleur :

 

Wit moet overheersen met zwarte of bruine aftekeningen.

De bruine kleur mag van klaar tot donker bruin gaan (kastanjekleur).

 

MAAT EN GEWICHT

 

Ideale hoogte : 25 cm (10 inch) tot 30 cm (12 inch).

 

Gewicht : Dusdanig dat 1 Kg gewicht met 5 cm hoogte overeenkomt.

Dit wil zeggen dat een hond van 25 cm hoogte ongeveer 5 kg moet wegen

en een van 30 cm hoogte 6 kg.

 

 

FOUTEN :

 

Elke afwijking van de voorafgaande punter moet aangemerkt worden als een fout en de ernst waarmee de fout aangemerkt moet worden, moet in juiste verhouding zijn tot de mate waarin hij voorkomt.

De volgende afwijkingen echter behoren in het bijzonder bestraft te worden.

 

  •  Gebrek aan Terriertype

  •  Gebrek aan balans dwz overdrijving van welk punt dan ook

  •  Trage en ongezonde gangen

  •  Fout gebit.

 

NB : Mannelijke dieren behoren twee duidelijke normale teeltballen te hebben, die volledig in het scrotum zijn.


Terug